Als de randvoorwaarden (zie Meedoen) voor het naar school gaan en het ‘volgen van een opleiding in het algemeen’ voor jongeren met een functiebeperking zijn ingevuld, kan een deel van deze doelgroep op gelijke voet met hun klasgenoten het programma volgen. Voor 6% van alle leerlingen in het voortgezet onderwijs is er echter meer nodig om de gekozen opleiding binnen de gebruikelijke studieduur op niveau te kunnen afronden. In wetten, besluiten, reglementen, planningen en roosters is (en wordt) alles tot in de puntjes geregeld om brugklassers binnen de afgesproken tijd te laten uitgroeien tot kansrijke examenkandidaten. De aanbieders van een opleiding hanteren bij het inrichten van het onderwijs de ‘ABC’-uitgangspunten (Aanwezigheid, Belastbaarheid, Continuïteit) voor de gemiddelde leerling. De onderwijsconsequenties van de beperkingen van jongeren met chronische klachten richten zich echter juist op deze drie uitgangspunten.

  • Aanwezigheid:Binnen de opleiding is alles ingericht vanuit het veelvuldig persoonlijk contact tussen leerling en docenten, mentoren: de instructie, het doceren, het wegwijs maken, de informatie overdracht, de planning, de coaching en begeleiding, het aanspreken op, het herinneren aan, het aanmoedigen van, etc. Als gevolg van de klachten/beperking zijn deze leerlingen veel vaker afwezig dan hun klasgenoten. Nog al wat doelgroepleerlingen missen structureel een kwart of nog meer van de lessen. Sommigen kunnen niet of nauwelijks naar school.
  • Belastbaarheid:Bij de vormgeving en planning van de verschillende opleidingen is uitgegaan van de belastbaarheid van de gemiddelde gezonde leerling uit de leeftijdsgroep. Alles is hierop gebaseerd: de studieduur, de verdeling van de studielast over de schooljaren, het aantal lesuren per dag, de lengte van de lesuren, de plaatsing van de schooltijd op de dag, de bundeling van toetsmomenten, de invulling van praktische opdrachten, de wijze en het tempo van instrueren, verwerken en toetsen, etc. Als gevolg van de klachten/beperking is de belastbaarheid van leerlingen met een functiebeperking vaak structureel lager dan die van hun klasgenoten. De normale schooldag duurt voor hen te lang, ze kunnen er na een aantal lessen nog wel bij zitten maar steken niets meer op en kunnen niet meer meedoen. Na een schooldag kunnen ze thuis helemaal niets meer doen, dus ook geen huiswerk maken. Het opnemen van instructies en het uitwerken van vragen en opdrachten lukt niet binnen de beschikbare tijd. De input van lawaai, gepraat, gedrang, rennen, drukte, warmte, benauwdheid, verplaatsing tussen lokalen is teveel. De hoeveelheid leerstof die per dag, week, kwartaal, jaar verwerkt moet worden is te groot.
  • Continuïteit:De reis naar het vmbo diploma duurt 4 jaar, naar havo 5 jaar en naar vwo 6 jaar. Er zijn korte stops gepland voor korte vakanties en wat langere in de zomerperiode. Het tempo staat vast en ook de volgorde waarin de leerstof ‘voorbij’ komt. Wie ergens tijdens deze reis voor korte tijd uitvalt, kan dat met een flinke sprint nog wel inhalen. Nogal wat jongeren met een functiebeperking missen echter structureel veel lessen. Daarnaast is het doorgaans onvoorspelbaar, wanneer zij er wel of niet zullen zijn en is hun concentratie- en opnamevermogen wisselvallig. Er ontstaan grote hiaten in hun kennis en vaardigheden, waardoor ze de aansluiting met hun klasgenoten verliezen en zeker bij de cyclische vakken het spoor volledig kwijt raken.

Hoewel zij over voldoende niveau en motivatie beschikken om het eindexamen met goed gevolg af te leggen, struikelen ze over de inrichting en regelgeving van de opleiding. Voor hen zullen de spelregels moeten worden aangepast. De school, de leerplichtambtenaar en de onderwijsinspectie kunnen dit met elkaar mogelijk maken. Door te manoeuvreren binnen de ruimte die wet- en regelgeving bieden kunnen ze noodzakelijke aanpassingen realiseren op het gebied van studieduur, studielast, toetsen en examineren.