De school is verantwoordelijk voor het onderwijs aan alle leerlingen, dus ook aan zieke leerlingen. Zo is dat ook in de Wet op het Voortgezet Onderwijs opgenomen. Met de invoering van de Wet gelijke behandeling op grond van chronische ziekte of handicap (WGBH/CZ) en het Passend Onderwijs, heeft deze inspanningsverplichting meer handen en voeten gekregen. Als school kun je echter niet op voorhand rekening houden met verschillende soorten functiebeperkingen. Hier ligt in eerste instantie een taak voor de leerling en de ouder(s) zelf. Zij moeten de klachten en de verwachte problemen voor de opleiding op school bespreken. Docenten en mentor zijn dan vaak het eerste aanspreekpunt. Uit de praktijk blijkt dat jongeren met een beperking vaak niet in staat zijn om hun onvermogen, wensen en behoeften duidelijk over te brengen. Soms lukt het hen zelfs niet om het aan hun ouder(s) duidelijk te maken. Er zijn ook leerlingen die hun beperking op de achtergrond (willen) stellen, die hun functiebeperking ‘ontkennen’ en die voor de klasgenoten niet voor de klachten willen uitkomen. In nogal wat gevallen staan de jongere en de ouders als het om officiële erkenning (medisch of anderszins) van de klachten gaat (lange tijd) met lege handen. Dat maakt hen onzekerder bij de hulpvraag. Het komt dan ook regelmatig voor dat leerlingen met chronische klachten zich pas melden als er studievertraging optreedt, als ze problemen krijgen in hun studie of zelfs pas als ze hebben besloten om te stoppen met hun opleiding.