Allereerst zal de school (de afdelingsleider) de omvang van de belemmeringen en, wat nog belangrijker is, de aanwezige mogelijkheden om de opleiding te vervolgen bij de gesignaleerde leerling moeten vaststellen. Veel informatie komt natuurlijk van de ouders en de leerling zelf, maar ook eerder onderwijs, eventuele indicaties en begeleiders die al bij de casus betrokken zijn (AB-ers, consulent OZL, etc), kunnen hieraan een bijdrage leveren. Ook dient te worden vastgesteld of de leerling met een juist en passend advies het basisonderwijs heeft verlaten. De problemen moeten kunnen worden toegeschreven aan de functiebeperking en niet veroorzaakt worden, doordat de leerling eigenlijk op een te hoog niveau een opleiding tracht te volgen.

 

Basisinformatie

Hierbij gaat het om de algemene informatie zoals, het verloop van de schoolloopbaan, de motivatie, het niveau, het klachtenbeeld en de resultaten van de huidige ondersteuning.

 

Educatieve Redzaamheid

Hierbij gaat het om de belastbaarheid van de leerling, de verwerkingscapaciteit, de effectieve deelname, de concentratiepieken, de reguliere inpasbaarheid, de productiviteit, de fysieke factoren, de computervaardigheid, de leerstijl, etc. Om de school te helpen bij het inzichtelijk maken van de gevolgen van de beperkingen van de leerling voor het volgen van een opleiding kan de educatieve redzaamheid van de betreffende leerling onderzocht worden. De enquête kan worden afgenomen door de zorgcoördinator, maar ook door de consulent zieke leerlingen,  de ambulant begeleider, de leerplichtambtenaar of de jongerenwerker. Naast informatie kan na verwerking van de resultaten ook aangeduid worden hoe de educatieve redzaamheid zich verhoudt tot die van de gemiddelde leerling.

 

Sociaal-emotionele factoren

Voor het uitwerken van aanpassingen is het van belang om te weten met welke factoren er nog meer rekening gehouden moet worden. Ondersteuning vanuit de gezinssituatie is van groot belang voor het welslagen van het maatwerk. Het is dan ook wenselijk dat door de schoolmaatschappelijk werker een gesprek met de ouder(s) wordt aangevraagd waarbij, bijvoorbeeld met behulp aan de hand van en speciale vragenlijst, de opvoedings- en gezinssituatie wordt besproken. Ook is het goed om te weten of er andere (medische of begeleidings-)trajecten lopen, zodat deze kunnen worden ingepast. Als daar aanleiding toe is kan bij de Gezondheidszorgpsycholoog van de onderwijsbegeleidingsdienst of van het regionaal educatief centrum een nader onderzoek worden aangevraagd.

 

De leerstof

Voor het uitwerken van de aanpassingen is het nodig om te inventariseren waar de leerling op dit moment in de leerstof ‘staat’. De mentor kan hier samen met de vakdocenten en de leerling een helder overzicht van maken. Daarnaast is het handig om te weten wat de leerling voor ogen heeft met de opleiding. Al is het maar een gewenste richting. De decaan kan hier een belangrijke rol vervullen. Als alleen al duidelijk wordt welke sector/profiel het niet zal worden, geeft dit al aanwijzingen voor de inzet- en energieverdeling over de vakken.

Wanneer aanpassingen per vak noodzakelijk zijn, wordt het studiepakket in de bovenbouw in overleg met de eindexamencommissie, beperkt tot de noodzakelijke toetsen, handelingsdelen, praktische opdrachten, profielwerkstuk en de leerstof voor het centraal schriftelijk van die vakken, waarin de leerling examen gaat doen. Wanneer gekozen wordt voor een eerdere overstap naar een vervolgopleiding, wordt in overleg met de toekomstige school het studiepakket bepaald.

 

Toeleiding

In bijzondere gevallen kan voor langdurig thuiszittende leerlingen eerst nog een traject vooraf noodzakelijk zijn om hen weer te leren wennen aan de drukte, het ritme en de regelmaat van het schoolleven. Afhankelijk van de problematiek kan hierbij de hulp worden ingeroepen van maatschappelijk werk, GGD, beschikbare interventies, gemeentelijke jeugdhulp/CJG,  onderwijsbegeleidingsdienst, etc.