Het percentage jongeren in het voortgezet onderwijs met een functiebeperking ligt rond de 16%. Het aantal leerlingen, waarvan bij de onderwijsinstelling bekend is, dat zij een functiebeperking hebben, ligt echter tussen de 6 en 7%. Dat maakt wel duidelijk dat er nog heel wat doelgroepjongeren niet in beeld zijn. Overigens heeft niet iedere jongere met een functiebeperking extra begeleiding of voorzieningen nodig. Een aantal redt zich uitstekend binnen het "normale" reguliere onderwijs.

  • Ruim 9% van alle leerlingen in het reguliere voortgezet onderwijs ondervindt echter op dit moment, uitsluitend als gevolg van hun chronische klachten, serieuze belemmeringen bij het vervolgen van hun opleiding. Hiervan beschikt één op de vijf jongeren over een rugzakje (leerling gebonden financiering).
  • Meer dan 3% van alle vmbo-, havo- en vwo-leerlingen in ons land loopt, uitsluitend als gevolg van hun chronische klachten, een, doorgaans nutteloze, studievertraging op. Dat je als jongere met chronische klachten langer over je opleiding doet, is in een aantal gevallen onvermijdelijk. Een verlenging van de studieduur moet dan echter wel efficiënt en effectief zijn.
  • Zeker 2% van alle vmbo-, havo- en vwo-leerlingen in ons land daalt, uitsluitend als gevolg van hun chronische klachten, onnodig in opleidingsniveau. Zij worden uiteindelijk wel binnenboord gehouden, maar op een lager niveau dan ze op grond van hun capaciteiten zouden aankunnen. Leerlingen die het niet redden in het havo en vwo, kunnen immers altijd ‘afstromen’ naar het vmbo of mbo en daar verder leren. Ze zijn misschien wel ‘vwo- of havo-uitvaller’ maar nog geen schooluitvaller.
  • Daarnaast verlaat 1% van alle leerlingen in het voortgezet onderwijs, uitsluitend als gevolg van hun chronische klachten, ondanks oorspronkelijk voldoende motivatie en niveau, de school zonder startkwalificatie. Dit samengevoegd bij hun beperkingen als gevolg van hun handicap of chronisch ziekte maakt hun kansen op maatschappelijke participatie uiterst gering.

Er is bij scholen, maar ook bij de betrokken instanties, meer dan eens sprake van handelingsverlegenheid, ook wanneer er hiervoor extra middelen beschikbaar zijn. Veel van de jongeren die belemmeringen ondervinden, vallen in het huidige onderwijssysteem ‘tussen wal en schip’. Het zijn normale leerlingen, die soms pas in de loop van hun schoolloopbaan met chronische klachten - of de belemmeringen daarvan voor het volgen van hun opleiding - geconfronteerd worden. De aard van hun ‘functiebeperking’ is niet zodanig dat zij per definitie zijn aangewezen op een school voor speciaal onderwijs. Voor jongeren met een havo of vwo opleiding is die mogelijkheid er zelfs niet of nauwelijks. Ze hebben ook niet zozeer behoefte aan speciaal onderwijs, maar vooral aan een speciaal (=aangepast) onderwijsprogramma. Toegesneden onderwijs is onmisbaar voor deze groep. Kortom het is bij uitstek een doelgroep waar het Passend Onderwijs voor bedoeld is.